Automutilatie
Krassen en zelfpijniging (automutilatie)
Dit artikel handelt over een mechanisme dat maar lastig bespreekbaar is, het creëren van pijn uit nood om de emotionele nood te dempen. Het gaat dus over automutilatie.
Daarnaast wordt (op een aparte pagina) een connectie gelegd met pijn binnen de sfeer van bdsm. Ik doe dat in de eerste plaats als correctie omdat auteur A. Miller (1923-2010) in haar tweede versie van haar boek Het drama van het begaafde kind, deze activiteit op een merkwaardige en uitermate onprofessioneel afwijst. Het gaat mij niet om het verdedigen van de activiteit zelf. Het gaat erom dat Miller in haar intro bedoelde handelingen gelijkstelt met misdaden en grof geweld mensen. Zie verder: Masochisme een uitweg? In tweede instantie. mede door casuïstiek, het gaan onderzoeken met als conclusie dat het verrassende inzichten brengt.
Littekens toebrengen is bij automutilatie eigenlijk secundair, primair gaat het om pijntransformatie (pijnsubstitutie). Dit zelfgeweld is een reactie op basale onveiligheid en diffuus lijden (onbewust, onnavolgbaar, gehuld in mist). Ik probeer een verklaring te geven voor dit zelfgeweld en verwijs naar een breder probleemveld. Ook besteed ik aandacht aan zelfgeweld zonder fysieke sporen. Je vindt – voor wat betreft automutilatie (zelfgeweld) – in dit artikel geen pasklare of snelle oplossing, er is eerst inzicht nodig voordat verdiepende stappen kunnen worden gezet richting heling.
Inleiding automutilatie
In Quest psychologie van februari 2022 las ik een bijzonder oprechte bijdrage, waarin een jonge vrouw vertelt over een moeilijke periode in haar leven die in het teken stond van automutilatie door zichzelf te krassen. Dit gedrag om te dealen met de situatie komt bij zo’n 15% voor bij adolescenten en vooral bij jonge meiden.
Voor buitenstaanders is het maar lastig voor te stellen dat iemand zichzelf beschadigt en pijn doet. Ook het idee dat iemand dat doet om opgelopen spanning te laten wegvloeien, spreekt maar weinig mensen aan. Men ziet zo iemand al gauw als gestoord en dat is natuurlijk onzin.
In het bewuste artikel wordt verteld hoezeer deze vrouw als tiener slachtoffer was van pestgedrag van klasgenoten en hoezeer het haar basisveiligheid aantastte. De hoofdtekst richt zich vooral op de schoolperiode, maar in de twee extra tekstkaders staan twee belangrijke opmerkingen, namelijk dat er bij iedereen met dit gedrag, een bepaald probleem of onvermogen achter zit. Het tweede kadertje sluit af met “Ik wilde niet dat iemand mijn zelfbeschadiging zag. Ik wilde wel dat iemand mij zag.”
Topje van de ijsberg
Hoe ingewikkeld automutilatie ook is, het is slechts het topje van de ijsberg, onder water bevindt zich een fundamenteel probleemgebied, dat doorgaans vooraf is gegaan aan de traumatiserende ervaring waarover men spreekt, in dit geval pestgedrag.
Ouder traumaspoor onder de waterspiegel
Gepest worden op school treft doorgaans kinderen die al een zekere kwetsbaarheid hebben en al veel eerder onvoldoende basisveiligheid hebben ervaren, er is meestal een hechtingsprobleem in het gezin van herkomst. Slachtoffers van pestgedrag zitten structureel in een underdogpositie, een positie van ‘geneigdheid naar aanpassen en inhouden’. Pesters, die eveneens over onvoldoende basisveiligheid beschikken, ‘ruiken’ als het ware die kwetsbaarheid. Zij houden zich staande door juist de top-dog-positie te kiezen en zo de aandacht van hun eigen kwetsbaarheid af te leiden. Deze plaaggeesten zijn eerder geneigd naar continu verzet tegen dat wat ze tegenstaat in hun slachtoffers, namelijk de herkenning van hun eigen kwetsbaarheid. Door anderen te treiteren houden pesters controle over de sociale situatie en daarmee over zichzelf. De functie van controle staat centraal in dit artikel.
Het begint in de baarmoeder
Onze hechtingsgrond – en daarmee de grondslag voor het eigen voelen en gedrag – wordt al bepaald in de baarmoeder. Stress van de moeder is daarbij de belastende factor, met als basis de actuele levenssituatie en generationeel overgedragen oud zeer uit het familiesysteem. Denk aan mishandeling, seksueel en emotioneel misbruik, verslavingen, maar ook geestelijke ontheemding, materiële en immateriële armoede opgeslagen. Hechtingsproblematiek komt voor in alle sociale milieus! Zo kan in een milieu met veel prestatiedruk net zo goed zorgen voor en samenvallen met gevoelens van ontheemding en belastend zelfbeeld (zelfgevoel).
Negatief zelfgevoel en lichaamsbeeld
Er is altijd sprake van een negatief gevoel over wie te zijn, alsmede een negatief beeld van het eigen lichaam. Niet goed genoeg is een innerlijke mantra.
Complexiteit van automutilatie
Hoewel heel tastbaar en aanwijsbaar, automutilatie is geen stoornis op zichzelf. Therapie zal primair gericht moeten zijn op de onderliggende oorzaak van dit escape- of coping-gedrag. We hebben het dan over basale onzekerheid, dat vergt mogelijk langdurige therapeutische interventie, met veel haken en ogen. Wanneer het geweld – zoals gepest worden, lichamelijk en emotioneel misbruik – nog steeds voortduurt dient voorzichtig gelaveerd te worden tussen het werken aan basale veiligheid en assertiviteit.
Het is mogelijk dat een latere overweldigende gebeurtenis niet alleen onterecht wordt gezien als de oorzaak van ‘de problemen van de betrokkene’, waardoor de aandacht wegschuift van de werkelijke oorzaak (de ouders met hun actieve en passieve generationele overdrachten). Het is ook mogelijk dat deze latere gebeurtenis vast komt te zitten in het lichaam, juist doordat de werkelijke oorzaak niet boven tafel komt.
We weten inmiddels dat grote overweldigende gebeurtenissen op het niveau van het organisme (de body-mind) de tijd doet stilstaan. Men blijft ‘hangen in een traumaspoor’. Dat spoor wordt regelmatig gelopen en zo komt men vast te zitten in een loep, die weer wordt aangejaagd door verschillende (onbewuste) mechanismen, waardoor de onzekerheid alleen maar toeneemt. Met de tijd heeft de persoon niet eens meer geweldervaringen van buitenaf nodig om in de stress te raken. De body-mind zelf, wordt een stress genererend systeem.
Wat is bedoeld met automutilatie
Mutilatie komt van het werkwoord mutileren (fr) dat letterlijk verminken betekent, het toebrengen van blijvende (ernstige) beschadiging. We zien het in de oudheid als vorm van straf en vernedering, of bij de slavernij, maar ook heden ten dage in vuile oorlogen en bij religieuze strijd.
Zelfpijniging of zelfgeweld
Bij automutilatie of zelfmutilatie (binnen de GGZ gehanteerde temen) gaat het in de regel niet om het willen verminken, het doel in het moment zelf is allereerst gelegen in het handelen, de handeling zelf en de pijn. Ik zou het daarom liever zelfgeweld noemen, hoewel de term zelfpijniging in de uitwerking van het fenomeen ook veel verduidelijkt.
Automutilatie heeft als doel, weg uit de situatie, controle verkrijgen en diepe rust, het is een dissociatief proces.
En let op de nuance: ik schrijf ‘in het handelen, de handeling zelf en de pijn ‘. Ik schrijf dus niet: het doel is gelegen in de pijn die de handeling oplevert. Strikt genomen klopt dat laatste wel, maar het is slechts een onderdeel van motivatie. Er worden er op meerdere niveau’s verlangens (of beter: impulsen) wakker in de aanzet tot de handeling. Dwangmatigheden en ‘verslavingen’ hebben een tamelijk complexe grond en werking. (de poort, verwijt, innerlijke getuige aanroepen, aandacht vragen en dat meteen inhouden.)
Zelfpijniging is geen masochisme
Zelfpijniging is niet gelijk te stellen aan masochisme, toch speelt ook daarbij een drietrap om via (de handeling naar) pijn de controle over te nemen én om uiteindelijk in diepe rust te geraken. Maar daarover later meer. (zie hier)
Waarom doet iemand aan automutilatie
Zoals gezegd, om ervaren pijnlijke onmacht te bestrijden en om rust te bereiken. Dat zie ik zo: er is een heftige emotie die niet kan worden verwerkt. Een emotie die niet kan worden verwerkt is een overweldiging (een overweldiging is subjectief). Met ‘niet kan worden verwerkt’ bedoel ik dat de emotie niet naar buiten kan doordat de persoon in de vroege kindertijd heeft geleerd (of op dat moment leert) dat dat niet mag en dat expressie uiteindelijk onveilig is. Men houdt zich in, de stress die dat geeft wordt gebruikt om die impuls tot expressie (=leven) tegen te gaan en terug (naar binnen) te drukken. Binnen het individu wordt zo de energie tegen zichzelf gericht en tegen het zichzelf uiten en uitleven. Het richt zich tegen het leven.
De persoon drukt iets terug dat juist naar buiten wil, het heeft in de vroege kindertijd geleerd voorrang gegeven aan de expressie (vroegkinderlijke behoeften) van de ouders. Het kind heeft geleerd zichzelf daarbij weg te cijferen en in te houden.
De behoeftebevrediging van de ouder(s) bestaat eruit om iets in het kind in te drukken of er iets van te nemen.
Voor je verder leest, als dit jou, je kind of iemand in je nabijheid treft, moet vooral je niet proberen deze tekst cognitief te ‘verstaan’, dat gaat zeker niet werken. Alleen als het jezelf betreft kun je een poging doen, door te doorvoelen, mee te visualiseren en dan kijken of er iets landt. Neem er de tijd voor, herkauw de tekst totdat de essentie in daalt.
Dissociatie
Dat inhouden is het terug naar binnen drukken, dat ‘als het ware’ van buitenaf gebeurt. Alsof een derde persoon dit doet. Binnen het psychofysiologisch systeem van betrokkene worden meerdere tegenstrijdige reflexen actief, er is niet één homogene wilsuiting die ten grondslag ligt aan het inhouden, aan het gedrag denken en voelen dat de persoon op dat moment ondergaat.
Sterker nog, het willen van het individu lijkt naar expressie te neigen (dus juist niet inhouden) omdat het (ergens intuïtief) wel weet dat expressie oké zou moeten zijn. Of nog beter geformuleerd: men voelt ergens dat het inhouden niet oké is, dat het zou moeten mogen, ik herhaal: moeten mogen. Maar het mag niet! dus er is tegelijkertijd ook een kracht van het terug naar binnen drukken van dat wat niet mag (zijn) alsof het buiten de persoon om gebeurt. Zoals gezegd, dit is een vorm van dissociatie, die is gevormd in het negatieve zelfgevoel en de daaruit geconstrueerde coping-mechanismen.
Hierdoor voelen deze ervaringen ook zo vervreemdend, er is een kracht actief die men niet kan beteugelen en waarvan de herkomst ook niet doorzien wordt. (de onzichtbare gekloonde innerlijke kinderen van het familie-systeem, als emotioneel onbeschikbare levensenergie slurpende entiteiten)
“Nu ik studeer en op kamers ben kan ik wat meer afstand nemen, maar als mamma me bezoekt en ik vertel dat ik nu pas een beetje gelukkig ben, zo met studie en de meiden waarmee ik het appartement deel, begint ze te zwijgen. Ik voel en ze laat me voelen dat ik haar pijn doe. Als ik er naar vraag weert ze me af. Ze zwijgt in hooghartigheid en gekwetstheid. Als ze weg ik voel ik opluchting en schuld. Ik begin mezelf te snijden. Ik kan het niet stoppen, het MOET ERUIT. Alles schreeuwt in mij: “ik wil dit niet”, maar ik ga door tot ik in slaap val.“
Het richt zich tegen het leven, maar het is een roep om hulp
De ingewikkeldheid zit in dat zinnetje: “Het richt zich tegen het leven”. Hoe kan het bestaan dat de handeling zich richt tegen het leven, terwijl de persoon in het zelfgeweld juist een noodkreet uit, vóór het leven. Iemand die zichzelf pijnigt (of andere excessieve destructieve handeling tegen zichzelf verricht) wil gezien worden, wil leven.
Labyrint
Dus, de persoon wil iets uitdrukken en ‘drukt’ dat tegelijkertijd weer terug. Tegen dat terug drukken – het inhouden en inslikken – is ook weer verzet omdat het intuïtief voelt als verzet tegen het ‘zelf’. Er is geen uitweg, het is een labyrint. Er ontstaat nu ook nog een – onbewuste maar wel effectieve – innerlijke strijd om het verzet. “Verzet ik me tegen mijn ouders, die het indrukken hebben vormgegeven en ten bate waarvan ik mij altijd heb moeten inhouden, of verzet ik me tegen mezelf.” Beide routes zijn destructief omdat verzet tegen de ouders onredelijke maar onontkoombare schuld oplevert, iets waarmee ouders hun kinderen emotioneel gijzelden en soms nog steeds gijzelen (al is het maar doordat je dat zelf ‘doet’), terwijl verzet tegen de gerechtvaardigde wens tot expressie, verzet tegen jezelf oplevert. Zie hoe diffuus dit is. Een ding is wel duidelijk, linksom of rechtsom doet iemand zichzelf geweld aan. En dat meestal nog vóór men zich gaat snijden.
Omdat de tekst echt wel even moet indalen, hier nog een formulering:
Er is een loyaliteitsconflict. We gaan ervan uit dat kinderen altijd loyaal zijn aan hun ouders, dat is andersom niet altijd het geval. Dit heeft te maken met het feit dat de kinderen letterlijk uit de ouders zijn ontstaan. Wijst een kind de ouders af, dan wijst het automatisch zichzelf af, omdat het zelf een ‘product’ is van die ouders. We zien ‘deze gevangenis van loyaliteit’ als gevangenis bij disfunctionele gezinssystemen.
Welnu, als het kind op enig moment (in therapie) loyaal begint te zijn aan zichzelf, is het – in diens eigen beleving – onmiddellijk niet loyaal aan de ouders en dan geldt de eerste regel weer, je kunt niet dis-loyaal zijn aan je ouders doordat zij jouw bron van bestaan zijn.
In therapie ga je die loyaliteit leren zien. Je gaat het begrip schuld, destructief recht, niet veilige hechting en niet geslaagde onthechting leren zien als tools waarmee je ouders je (zelfs al leven ze niet meer) vasthouden in die (hun) psychische emotionele (generationele) gevangenis van schuld. Aan jou om de rekening terug te leggen, met het doel om je te ont-schuldigen.
Schuld
Als we spreken over schuld dan gaat het niet alleen over de schuldgevoelens van het kind dat diens ouders gelukkig wil zien en daartoe zichzelf opzij zet, wat dan vervolgens niet lukt, waardoor het zich schuldig voelt (het is slechts één van de schuldmechanismen). Het krijgt in dergelijke situaties ook de van generatie op generatie overgedragen schuldrekening (van de familiesystemen) te dragen. Zie Nagy (1920 – 2007).
Schuldmanipulatie
Het diffuse zit hem ook in de schuldmanipulatie, dat wil zeggen: je hebt ‘eigenlijk’ geen schuld, maar dat aan kunnen zien alleen al en daarvoor te gaan staan lijkt te betekenen dat je je ouders ‘beschuldigt’ (ander mechanisme). Dat is helemaal niet het geval en is ook zeker niet de bedoeling, maar het is een reflex van je systeem. En die reflex levert weer opnieuw schuldgevoelens op. En dan start dat proces van tegengehouden (zelf)expressie weer opnieuw.
Geen zelf, wie ben ik (eigenlijk)
Het diffuse zit hem er ook in, dat het ‘zelf’ (een gezond ik-gevoel en je plek weten in het leven), nou juist geen volledig ontwikkeld ‘zelf’ is. In dergelijke gevallen is een of beide ouders nog steeds deel van dat ‘zelf’ en houden het kind in gijzeling. Dat werkt door, ook als men al volwassen is en zelfs als de ouders al overleden zijn. Dit wordt geborgd door een negatief zelfbeeld en schuldgevoelens, die het resultaat zijn van geïnternaliseerde schuld. Al die botsende gevoelens worden op enig moment weer manifest, zonder dat ze te ontwarren of te volgen zijn. Hierdoor loopt de spanning weer op, de persoon raakt opnieuw overweldigd. Men wijst zichzelf af met als gevolg nieuwe emotionele littekens.
Emotionele littekens
Zelfafwijzing is ook litteken vormende automutilatie, maar dan in de vorm van emotionele littekens. Deze littekens blijven stapelen en vormen in zichzelf een instandhoudend mechanisme. Men wordt steeds gevoeliger en kwetsbaarder.
Net als fysieke sporen proberen mensen emotionele beschadigingen te maskeren, dit gaat ten koste van innerlijke waarheid, er wordt immers (onbewust) een rol gespeeld. Dat doet – ergens diep van binnen – ook weer pijn. Het is dus een zichzelf aanjagend systeem met uiteindelijk resultaat: pantsering, het masker wordt een harnas.
Binnen dat harnas verbergt zich diep verdriet dat nauwelijks tot helder bewustzijn kan komen, het kan zich soms uiten als (existentiële) boosheid, verharding, verbittering, duurzaam slachtofferschap en dramatiek. Daarnaast kan het mogelijk worden omzeild door de hele structuur te omhullen met een spirituele verschijningsvorm, door een spiritueel ego aan te nemen, door voortdurend ‘in het moment te leven’ wat in wezen het wegmaken van pijn is. We zien dan mensen die in hun gedragingen en uiterlijkheden ‘helemaal zen zijn’, terwijl het diep van binnen kookt. Van buiten vrede, van binnen oorlog.
Opkomen voor zichzelf = onhoudbare pijn
De pijn die vroegkinderlijke overweldiging (oude traumasporen) gaf en tot op de dag van vandaag geeft is onhoudbaar. Als het kind – geen kleuter meer, of al in de puberteit of eenmaal opgegroeid – voor zichzelf ‘moet’ opkomen (de aandrang voelt) loopt die opnieuw in die val van schuldverwarring en dat werkt op den duur in elke situatie en relatie, levenslang.
onzichtbare relatie
Dit betekent dat er, in het hier en nu, altijd een onzichtbare relatie meespeelt die de objectieve situatie (interacties en relaties) vertroebelt. Deze pijnbasis moet verborgen blijven op straffe van het loyaliteitsconflict . Maar doordat de pijn tegelijkertijd onhoudbaar is moet er wel een uitweg gevonden worden. De ‘weg van’ beweging (verzet) kan en mag – op straffe van manipulatie en beschuldiging – echter niet openlijk gemanifesteerd worden, dus wordt er een sluipweg bewandeld die eruit bestaat te proberen de controle over te nemen.
Zie hoe complex en gelaagd deze mechanismen van zelfafwijzing zijn, immers men wil en moet ‘ook eigenlijk’ voor zichzelf opkomen, maar het willen is al diffuus en het daadwerkelijk doen, slaagt meestal niet zodat ook daardoor al weer schuld ontstaat. Het is – zolang je het niet ziet – een ondoorgrondelijk labyrint.
Met het overnemen van de controle richt de persoon zich op zichzelf met als bijproduct weg van anderen die de persoon pijn doen. Weg van anderen of weg van iedereen, echter zonder dat dat uit contact gaan een openlijke manifestatie van assertiviteit is. De manifestatie van assertiviteit is het opkomen voor jezelf en dat is (ook polyvagaal verklaarbaar) onveilig.
Pijnsubstitutie
n plaats van het verzet openlijk te manifesteren – hier zien we weer die expressie die niet wordt toegelaten – begint de persoon zichzelf stiekem te pijnigen en wel zo intens dat de zelf toegebrachte pijn gaat overheersen boven de mentale pijn. De eerdere overweldigende (systeem)pijn, die men niet in de hand had en heeft, verdwijnt zo naar de achtergrond. En aangezien de persoon zelf de aanstichter is van die actuele pijn – door zichzelf te verwonden – heeft de persoon ineens controle. De pijn (schijnbaar van buitenaf) wordt door de zelf toegebrachte ingewisseld. Men wisselt oncontroleerbare pijn (van buitenaf) in voor controleerbare pijn (van binnenuit). En zoals een cliënt het een keer zo treffend duidde: liever fysieke pijn dan mentale pijn. Daarmee gaat men van onmacht in de situatie naar macht over de situatie. Ik noem dit pijnsubstitutie.
Voor degene die het betreft, nog een keer in de herhaling om nog weer de valkuil te laten zien: ik schrijf (hierboven) “De pijn (schijnbaar van buitenaf) wordt door de zelf toegebrachte pijn ingewisseld”. Met schijnbaar van buitenaf bedoel ik dat de pijn wel voelt als van buitenaf komend, maar een gebeurtenis verwordt tot pijn (of wordt onveilig) juist door innerlijke, eerdere verwonding en onmacht met/ over de situatie. En dit, terwijl in de pijniging opnieuw dissociatie optreedt. Er is dus continu onduidelijkheid over de richting van waar de pijn komt. Opnieuw verwarring. Deze omdraaiingen (neuronaal, niet slechts cognitief) omdraaien is mede het doel.
Door pijnsubstitutie heeft de persoon de controle overgenomen, er is weer gevoel, al is het fysieke pijn – en er kunnen gevoelens van diepe ontspanning ontstaan doordat de gevoelens van onmacht verdwijnen, mede door het vrijkomen van adrenaline.
I hurt myself today,
to see if I still feel
I focus on the pain,
the only thing that’s real
The needle tears a hole,
the old familiar sting
Try to kill it all away,
but I remember everything
Schuldig zijn en schuldsubstitutie
Dit coping mechanisme wordt op meerdere lagen in stand gehouden. Er is – daar komt de idee van verslaafd zijn ´aan,’ om de hoek kijken – sprake van dwangmatigheid, wat niet meer is dan repetitief gedrag, aangezwengeld door het autonome zenuwstelsel, dat rust zoekt.
Er is in de basis een diep gevoel van schuldigheid dat is omgezet in een gevoel van waardeloosheid. Dat is een negatief zelfbeeld dat sowieso pijn doet, deze pijn (verlies-pijn) is als grondtoon in het leven van zo iemand aanwezig, er is bovendien een diep verankerd en inmiddels reflexmatig contraproductief patroon van reageren op dagelijkse spanningen dat in stand wordt gehouden door het autonome zenuwstelsel, autonoom = buiten de wil om. Tegelijk is er mogelijk moeite met het ervaren van veiligheid nabij (lichamelijk nabij) anderen, waardoor men op zichzelf aangewezen is. De persoon is mogelijk liever één-op-één dan in een groep omdat een groep nog meer sociale navigatie vraagt en een groter ‘veiligheidsrisico’ vormt.
Er is dus een nimmer afwezig, sluimerend en nauwelijks bewust, diffuus gevoel van tekortkomen en schuld, dat zich in de vroege jeugd jegens de ouders heeft ontwikkeld, maar zich – eenmaal volwassen – jegens iedereen manifesteert als terug drukken (in zichzelf) en inhouden. Dit schuldgevoel is diffuus doordat het zo mistig is, het is niet te bevatten en daardoor ook niet 123 te beëindigen (onmacht).
Voor de lijdensdruk die daaruit ontstaat zet de persoon in kwestie het liefst een concrete schuld in de plaats, namelijk de schuld aan zelfpijniging, hopende dat de pijn en het lijden eindigt. Dit hele proces, als onderdeel van coping – en dus geïnternaliseerd – verloopt onbewust. Alleen de uitvoering of planning van het beschadigen kan in het bewustzijn treden.
Ik sprak eerder over de pijn die voorop staat, maar de littekens kunnen op goed moment ook een rol spelen. Er kan schaamte op zitten maar ook trots en triomf, het kan slachtofferschap ondersteunen en stille getuigen zijn van diepe eenzaamheid. Door dit laatste kunnen de littekens ook weer ‘vrienden’ zijn, vrienden in een verbond van geheime pijn, stille getuigen van wat er is aangedaan.
Men heeft dus zowel ‘schuld’ aan het zelfgeweld alsook aan de diffuse schuld die is opgelopen via generationele overdracht, doordat:
Pijnrekening van Noodlijdende ouders
- Noodlijdende ouders de pijnrekening (Nagy) onbewust doorschuiven naar hun kinderen, dat is passieve generationele overdracht én
- Doordat het daarmee gepaard gaande gedrag van de ouders – de actieve generationele overdracht – de mogelijkheden voor een kind om te komen tot een evenwichtig mens, in de weg staat. Dit doen zij door hun eigen nood – kennelijk onbewust – voorrang te geven boven de gerechtvaardigde behoefte van het kind.
Die actieve vorm, dat wil zeggen de waarneembare vorm, noem ik doorgaans emotionele incest die voortduurt totdat het kind (eenmaal volwassen) in therapie de pijnrekening terug legt bij de ouders, of niet. Het kind, mogelijk wellicht zelf ouder van kinderen zal opnieuw de eigen kinderen belasten.