Selecteer een pagina
De Verslaving Voorbij - Hulp bij alcoholafhankelijkheid

Lichaamswerk – De verdieping

 

In De verdieping zoomen we wat verder in op bepaalde onderwerpen die ik van belang vind, bijvoorbeeld doordat ze onderbelicht of juist vermeden worden in herstel. Hier het belang van lichaamswerk, dat ik via een omweg bespiegel. Daartoe belicht ik een deel van het onderzoek van Margaret Mead, opgetekend in haar boek Seksualiteit en temperament (Sex and temperament in three primitive societies – 1948).

Het enorme belang van lichaamswerk werd mij ook door de vele gesprekken en eigen ervaringen duidelijk. Er is een sterke behoefte aan intimiteit, zeg maar huidhonger, niet te verwarren met seksualiteit en erotiek. Dit laatste kan wel een onderdeel zijn van intimiteit, maar verliest vaak zijn glans door het solitaire en op prestatie- en orgasme-gerichte karakter. Intimiteit door middel van lichamelijk contact is een voedende ervaring die veel mensen ontberen, vaak al vanaf hun geboorte.

Overigens, gemis aan intimiteit is niet slechts particulier, het is ook een maatschappelijk fenomeen, eerst ingegeven door onze christelijke moraal, later door individualisering en digitalisering. Ik stel vast dat deze twee gebieden, het individuele en het maatschappelijke, elkaar versterken. 

Margaret Mead

Margaret Mead (1901-1978) was een van de meest invloedrijke antropologen van de vorige eeuw. Als onderzoeker en professor culturele antropologie, schreef zij 44 boeken en publiceerde wereldwijd meer dan 1000 artikelen.

De schrijfster, die op het gebied van etnologie en antropologie een wereldreputatie bezit, beschrijft in dit boek drie kleine volksstammen uit het oostelijk gedeelte van Nieuw-Guinea. Het werk heeft halverwege de vorige eeuw de nodige stof doen opwaaien, zoals dat altijd gaat als oude inzichten sneuvelen. Niettemin zijn er maar liefst 90 drukken van dit werk verschenen. De Nederlandse vertaling die ik ter beschikking heb is van M.Mok zesde druk, 1969. Deze vertaling is zeer gedateerd en de lange zinnen maken het werk minder toegankelijk.

De drie onderzochte volksstammen heeft zij slechts als voorbeeld gekozen, of beter gezegd: zij heeft ze als zodanig op haar weg gevonden. Het was haar te doen om dieper inzicht te krijgen in de bron van temperamentverschillen van de seksen. Zijn die biologisch of toch meer omgevingsbepaald (contextueel)?

Mead beschrijft drie heel verschillende stammen die ze aantrof in een gebied van zo’n 250 vierkante kilometer:

De Arapesj die zachtmoedig waren waarbij beide seksen zich ‘vrouwelijk’ dat wil zeggen zachtaardig en zorgzaam gedragen;
De Moendoegoemor een ruig kannibalenvolkje, waar beide seksen zich ‘mannelijk’, zeg maar initiatiefrijk en agressief gedragen;
De Tsamboeli, een stammetje van koppensnellers waarvan de mannen opgesmukte, behaagzieke typen en de vrouwen ruwe en bazige levensgezellinnen zijn. 

Temperament (gedrag) is contextueel bepaald

Het onderzoek levert op dat het temperament maakbaar is want bij twee onderzochte stammen vertonen mannen en vrouwen hetzelfde temperament. Bij één stam bleek het temperament wel te verschillen, maar omgekeerd aan wat wij hier in het westen als stereotype m/v zien.

Kijken we naar de opvoeding van kinderen dan zien we een rechtstreeks verband. Zachtaardig behandelde kinderen (Arapesj) vertonen later zacht temperament, zijn rustig en sociaal. Ruw behandelde kinderen (de twee andere onderzochte stammen) vertonen als volwassene agressief gedrag, zijn onrustig en competitief. Hieronder volgt een opsomming van het pedagogische klimaat van de Arapesj:

  • lichaamscontact, huid op huid, in een langdurige zoogfase, niet alleen tijdens voeden of wassen;
  • een geruisloze overgang naar sociale interactie, kinderen zijn betrokken op baby’s;
  • opvoeding door de hele gemeenschap, iedereen is op iedereen betrokken;
  • autoriteit die voortvloeit uit riten en gebruik, niet persoonlijk op basis van macht, dwingend of abstract;
  • het leren verhouden tot de andere sekse door lichaamsbewustzijn te ondersteunen.

Vergelijking met het westen

Het intieme huidcontact bij de Arapesj wordt niet beperkt tot een zorgmoment, de baby / peuter wordt continue gedragen. Wij daarentegen kleden onze baby’s voortdurend aan en leggen het apart (in bed).

Net als in het westen lopen de opeenvolgende ontwikkelingsfasen in elkaar over, dat is ingegeven door onze biologie. Echter bij de Arapesj overlappen de lichamelijke fase en de sociale fase elkaar doordat de hele gemeenschap daadwerkelijk deelneemt aan het dragen en zogen (ook andere moeders) van het kindje. Dat contact is voedend voor alle betrokken leden, zie in de verband ook Perel – Erotische intelligentie p-156.

Bij de Arapesj vloeit autoriteit voort uit de gewoonten en riten die in dienst staan van sociale relaties en voortplanting, in het westen is autoriteit meer abstract door rol, positie of macht. Wanneer het ouderlijk gezag niet zozeer blijkt uit voorbeeldgedrag, maar uit sanctioneren en dreigen, sluipt angst de ouder/kind relatie binnen.

Lichaamsbewustzijn heeft bij de Arapesj het karakter van zorg voor het lichaam passend bij de leeftijd. Een klein kind mag naar hartenlust friemelen, maar op een goed moment leert het kind zich gepast te gedragen. In het westen is lichaamsbewustzijn en de ontwikkeling daarin nauwelijks aan de orde. 

Gedrag is relatie

Ons gedrag komt tot uiting in onze verhouding met de wereld, de relaties die we aangaan, zowel zakelijk als privé. Hoe we al die sociale interacties aangaan hangt af van onze ontwikkeling als kind en is gevormd in drie opeenvolgende fundamentele verhoudingen: de verhouding tot ons lichaam (de lichamelijke (zoog) fase), de verhouding tot ons gevoel (sociale fase) en de verhouding tot ons intellect (de rationele fase). Hoe stabieler de voorgaande fase is doorlopen, hoe beter de volgende fase zich voltrekt. Dat betekent dat de lichamelijke fase het oer-fundament is van ons gedrag. Dat wordt ondersteund door het onderzoek van Mead. 

In de knoop

De meeste hulpvragen zijn terug te voeren op verstoringen in de vroege jeugd, in het doorlopen van de opeenvolgende ontwikkelingsfasen. In reguliere en alternatieve therapie wordt doorgaans (indirect) gestuurd op de sociale en rationele fase, maar niet op de lichamelijke fase, terwijl onze lichamelijkheid het fundament van ons gedrag en temperament is.

In meer spirituele ‘scholen’, probeert men juist op afstand te gaan staan van de vroege levensgeschiedenis en de daarin doorlopen primaire ontwikkelingsfasen: ‘als we het negeren, zien we het niet – en als we het niet zien bestaat het niet’. De ervaring leert dat negatieve ervaringen in de vroege ontwikkelingen niet weg gemediteerd kunnen worden, om het maar even flauw te zeggen. 

Lichaamswerk in de praktijk, een mijnenveld

Lichaamswerk is de ontbrekende schakel binnen de westerse geestelijke gezondheidszorg, daar ligt onze collectieve afgescheidenheid aan ten grondslag. Die is zo diep geworteld dat het cultuur is geworden. Nu kunnen we daar een oordeel over hebben, toch is die culturele, door het christendom ingeprente afkeer, niet zomaar uit de lucht komen vallen. De christelijke moraal is ooit een beschermende reactie geweest op de zedeloosheid die daaraan voorafging met misbruik waar we ons vandaag de dag nauwelijks een voorstelling van kunnen maken. Er is op goed moment ‘besloten’ dat de mens zijn seksualiteit nu eenmaal niet kan beheersen. Onderdrukking was de remedie. Daar lijden we hier in het westen nog steeds onder.

Oosterse benaderingen – en daarop gebaseerde trainingsinstituten – proberen de mens weer als een geheel te zien en hebben volop aandacht voor het lichaam en seksualiteit. Dat is prachtig, ware het niet dat veel deelnemers aan dergelijke trainingen geen idee hebben van hun eigen noodlijdendheid. Die noodlijdendheid wordt spiritueel benaderd (=afgedaan) en daar gaat het mis. Een cursus tantra is geen – en mogelijk zelfs gevaarlijk – alternatief voor therapie.

Het werken met het lichaam is krachtig in de mogelijkheden om te helen, het is ook uitermate gevoelig voor het opdoen van nieuwe trauma’s. Behandelaren die niet integer en grensoverschrijdend gedrag vertonen, vormen slechts één gevaar. De werkelijkheid is veel gelaagder dan op het eerste gezicht lijkt. Kort en goed, lichaamswerk in de praktijk is een mijnenveld. Dit alles neemt niet weg dat het ook bijzonder goed kan uitpakken, ik ga daar graag over met je in gesprek.